Vertaald

(omwille van de lengte staat de vertaling na de originele tekst)

 

Na noite terrível, substância natural de todas as noites,
na noite de insónia, substância natural de todas as minhas noites,
relembro, velando em modorra incómoda,
relembro o que fiz e o que podia ter feito na vida.
Relembro, e uma angústia espalha-se por mim todo como um frio do corpo ou um medo.
O irreparável do meu passado — esse é que é o cadáver!
Todos os outros cadáveres pode ser que sejam ilusão.
Todos os mortos pode ser que sejam vivos noutra parte.
Todos os meus próprios momentos passados pode ser que existam algures,
na ilusão do espaço e do tempo, na falsidade do decorrer.

Mas o que eu não fui, o que eu não fiz, o que nem sequer sonhei;
o que só agora vejo que deveria ter feito,
o que só agora claramente vejo que deveria ter sido —
isso é que é morto para além de todos os Deuses,
isso — e foi afinal o melhor de mim — é que nem os Deuses fazem viver...

Se em certa altura tivesse voltado para a esquerda em vez de para a direita.
Se em certo momento tivesse dito sim em vez de não, ou não em vez de sim.
Se em certa conversa tivesse tido as frases que só agora,
no meio-sono, elaboro — se tudo isso tivesse sido assim,
seria outro hoje, e talvez o universo inteiro seria insensivelmente levado a ser outro também.

Mas não virei para o lado irreparavelmente perdido,
não virei nem pensei em virar, e só agora o percebo.
Mas não disse não ou não disse sim, e só agora vejo o que não disse.
Mas as frases que faltou dizer nesse momento surgem-me todas,
claras, inevitáveis, naturais,
a conversa fechada concludentemente,
a matéria toda resolvida...
Mas só agora o que nunca foi, nem será para trás, me dói.

O que falhei deveras não tem esperança nenhuma em sistema metafísico nenhum.
Pode ser que para outro mundo eu possa levar o que sonhei.
Mas poderei eu levar para outro mundo o que me esqueci de sonhar?
Esses sim, os sonhos por haver, é que são o cadáver.
Enterro-o no meu coração para sempre, para todo o tempo, para todos os universos.

Nesta noite em que não durmo, e o sossego me cerca
como uma verdade de que não partilho, e lá fora o luar,
como a esperança que não tenho, é invisível p’ra mim.

11-5-1928 Poesias de Álvaro de Campos

Fernando Pessoa

 

In deze vreselijke nacht, vreselijk als alle nachten,
in deze slapeloze nacht, slapeloos als al mijn nachten, overdenk ik.
In ongemakkelijke sluimer overdenk ik wat ik heb gedaan.
Overdenk ik wat ik in dit leven had kunnen doen.
Terwijl een morose angst mij beklemt en verkilt, denk ik
en besef ik dat het onomkeerbare, het onherstelbare dat ik achter mij heb gelaten,
de echte lijken zijn, de echte kadavers.
Alle andere kadavers kunnen misschien illusies zijn.
Al die andere doden kunnen misschien ergens anders leven.
Al mijn voorbije momenten kunnen misschien ergens anders verder bestaan,
elders in de illusie van ruimte en tijd,
elders in de leugen van het verstrijken van de tijd.

Maar wat ik niet ben geweest, wat ik niet heb gedaan,
wat ik niet eens heb gedroomd,
toont me nu,
wie ik had moeten zijn,
wat ik had moeten doen.
Want dat is de ultieme dood,
de dood die alle goden te boven gaat:
dat God of Allah het beste in mij, niet eens kunnen doen herleven.

Als ik ooit ergens linksaf was gegaan in plaats van rechtsaf.
Als ik ooit ja had gezegd in plaats van nee, of nee in plaats van ja.
Als ik ooit in een gesprek de zinnen had gezegd die ik nu in mijn halfslaap zo helder bedenk.
Als dat allemaal zo geweest zou zijn dan was ik nu iemand anders.
Dan was daardoor het hele universum misschien ook onmerkbaar anders geworden!

Maar toen koos ik die onherroepelijk voorbije andere richting niet.
Ik deed het niet en dacht er zelfs niet aan het anders te doen, besef ik nu.
Ik heb toen ook geen nee gezegd of geen ja.
En nu pas weet ik wat ik niet gezegd heb,
en nu ken ik de zinnen die ik toen had moeten zeggen.
Nu pas zie ik het duidelijk, klaar, helder.
Nu rond ik die gesprekken sluitend af,
en nu los ik die problemen als vanzelfsprekend op.
Maar alles wat er nooit is geweest, en er nooit meer zal zijn, dat doet me pijn.

Voor alles waar ik echt gefaald heb bestaat geen enkele hoop,
in geen enkel metafysisch systeem.
Misschien kan ik wat ik ooit gedroomd heb meenemen naar een andere wereld.
Kan ik de dromen die ik vergat te dromen meenemen naar die andere wereld?
Die nog te dromen dromen zijn het echte lijk; het echte kadaver,
dat ondanks alle andere universums, begraven ligt en begraven blijft in mijn hart.

Deze nacht zal ik niet slapen. De rust omarmt me als een vreemde waarheid waaraan ik geen deel heb.
Het maanlicht buiten is voor mij onzichtbaar, zoals de hoop, die ik niet koester.

vrij vertaald (met dank aan A. Sertyn)

 

 

terug